Er was eens een man die Karel heette. Ogenschijnlijk was hij een gezonde volwassen vent. Hij was sterk en groot, en zag er goed uit. Toch had hij een probleem. Een groot probleem. Karel was namelijk blind. Hij zag geen hand voor zijn ogen, alles was zwart. Pikzwart.
Maar het vreemde was: dat was niet altijd het geval. Soms was hij blind. En op andere momenten kon hij haarscherp zien. Karel had last van een vreemde blindheid; een blindheid die hem spontaan kon overvallen, en dan opeens weer voorbij was.
Niemand wist waar de blindheid vandaan kwam
Niemand wist waar de blindheid van Karel vandaan kwam. Hij was in het hele land al bij de knapste doktoren geweest. Ze hadden hem onderzocht, geprikt, met lampjes in zijn ogen geschenen, hersenscans gemaakt, en van alles gevraagd. Maar zijn blindheid bleef een mysterie. De allerlaatste dokter die Karel had bezocht, had na maandenlang onderzoek het vonnis geveld:
“Je moet er maar mee leren leven”. En dat was wat hij nu deed. Maar hij kon op dat moment nog niet vermoeden, welke verrassing hem die dag zou gaan overkomen.
Lees meer
Het rare was: hoewel de mensen wisten dat het een mythe was, en dat het dus een verhaal was dat niet helemaal waar was, wilden ze toch graag in het verhaal geloven. Het punt was namelijk, dat de mythe een hele krachtige mythe was. Het was een verhaal dat niet alleen mooi klonk, maar het gaf de mensen ook hoop. Het liet mensen zien dat hun leven misschien niet altijd hoefde te blijven zoals het nu was.
Er was eens een creatieve jongeman die Gerrit heette. Gerrit was dol op dingen maken. Hij maakte houten beeldjes, tekeningen, verhalen, en gedichten. Misschien denk je dat Gerrit een grote bekende kunstenaar was. Maar dat was niet zo. Zelfs in zijn eigen straat waren er buren die geen idee hadden wat Gerrit allemaal maakte, in zijn kleine schuurtje achter zijn huis. Dat vond Gerrit jammer en hij wilde meer. Niet omdat hij zelf groot en beroemd wilde worden. Maar hij wilde graag dat zijn beeldjes, tekeningen en verhalen werden gebruikt door de mensen. Door heel veel mensen.
Op een dag komt er een heraut van de koning in het dorp, met een boodschap:
Bij de bakker floepten de eerste lampjes al aan. Hij wist: de komende uren zouden er meer en meer lampjes gaan branden, tot de zon op zou komen. Dan zou de hele stad tot leven komen. De reus vond het een betoverend schouwspel: al die huizen in het stadje. Al die lampjes die het donker van de nacht verjaagden, waarna de zon het aandurfde om op te komen en haar sterke licht weer liet stralen over de aarde. Voor hem was het alsof de mensen tovenaars waren: scheppers van het licht. En dat magische schouwspel begon elke dag opnieuw met dat ene lichtje. Van de bakkerij.
De reus glimlachte. Hij hield van het stadje, met alle bedrijvigheid en leven. En de mensen in het stadje hielden van de reus. Zo ook de kleine Japie, de bakkerszoon. De vader van Japie stond elke ochtend voor dag en dauw op, om brood te maken voor de mensen in de stad. Japie werd elke ochtend wakker van de geluiden in de bakkerij. Stilletjes glipte hij dan uit zijn bed, en dook met zijn hoofd onder het gordijn voor het raam. Hij tuurde naar de heuvel in de verte. Op de top van de heuvel stonden bijna geen bomen. Maar in de vroege ochtend zat daar wel… de reus. Stilletjes zwaaide Japie naar de reus: