Er was eens een zielig meisje. Ze had een boze stiefmoeder en twee boze stiefzussen, die haar slecht behandelden. Het kind moest ‘s ochtends voor dag en dauw opstaan om te werken. Elke dag begon met het aanmaken van de haard. Om dat netjes te doen, moest ze eerst de as van de vorige dag opruimen en de haard oppoetsen. Daarom werd ze door haar stiefzussen smalend ‘Assepoetser’ genoemd.
De heraut van de koning
Op een dag komt er een heraut van de koning in het dorp, met een boodschap:
“Alle meisjes uit het land, worden uitgenodigd voor een bal, zodat de prins het meisje van zijn dromen kan uitzoeken, om met haar te trouwen”, roept de heraut luidkeels. Enthousiast rennen de boze stiefzussen naar huis, en vanaf dat moment maken ze volop plannen met hun stiefmoeder: welke jurk laten ze maken, in welke stof, en welke kleur? En welke schoenen moeten ze aan? De hele dag ratelen de stiefzussen over het bal.
Assepoetser huilt…
Assepoetser zit weggedoken onder een struik in de tuin. Ze huilt. Want voor haar is er geen jurk, geen mooie stof. En dus geen bal. Terwijl ze verdrietig in de tuin zit, voelt ze opeens iets kriebelen aan haar teen. Ze kijkt omlaag, en schrikt. Daar zit een grijze muis! Snel trekt Assepoetser haar voet terug en ze hoopt dat de muis wegrent. Maar niets van dat alles. De muis blijft muisstil zitten, en kijkt haar met zijn kleine kraaloogjes aan. Zijn gekromde staartje ligt tussen de bladeren. Assepoetser durft niet te bewegen, ze blijft ook muisstil zitten. Dan schrikt ze opnieuw: de muis begint te praten! Tegen haar!
Lees meer

Bij de bakker floepten de eerste lampjes al aan. Hij wist: de komende uren zouden er meer en meer lampjes gaan branden, tot de zon op zou komen. Dan zou de hele stad tot leven komen. De reus vond het een betoverend schouwspel: al die huizen in het stadje. Al die lampjes die het donker van de nacht verjaagden, waarna de zon het aandurfde om op te komen en haar sterke licht weer liet stralen over de aarde. Voor hem was het alsof de mensen tovenaars waren: scheppers van het licht. En dat magische schouwspel begon elke dag opnieuw met dat ene lichtje. Van de bakkerij.
De reus glimlachte. Hij hield van het stadje, met alle bedrijvigheid en leven. En de mensen in het stadje hielden van de reus. Zo ook de kleine Japie, de bakkerszoon. De vader van Japie stond elke ochtend voor dag en dauw op, om brood te maken voor de mensen in de stad. Japie werd elke ochtend wakker van de geluiden in de bakkerij. Stilletjes glipte hij dan uit zijn bed, en dook met zijn hoofd onder het gordijn voor het raam. Hij tuurde naar de heuvel in de verte. Op de top van de heuvel stonden bijna geen bomen. Maar in de vroege ochtend zat daar wel… de reus. Stilletjes zwaaide Japie naar de reus:
Het was één van de prachtige anekdotes die ik gisteren hoorde uit de mond van Herman en Candelaria Zapp, twee wereldreizigers die al 17 jaren rond de wereld trekken, met inmiddels hun vier kinderen.
Er was eens een klein meisje. Ze woonde in een dorp in het bos, in een rustig deel van het land. Het was een warme zomerdag en het meisje lang languit in het gras. Boven haar zag ze het groen va n de bomen, ze hoorde het ruisen van het blad. Ze zag een vogel zweven op de wind. Terwijl ze daar lag, dacht ze na over het leven. Het leven van een boom, van een vogel, van haar zelf. Maar wat was leven eigenlijk? En waarom was het er? Ze wist dat ze leefde, net zoals alle andere mensen en dieren. Maar waarom?
Nu vraag je je wellicht af: waar was Anton dan zo bang voor? Was hij bang dat zijn lieve vrouw hem zou verlaten? Of dat zijn aardige kinderen iets akeligs zou overkomen? Welnee! Daar dacht Anton nooit over na. Maar waarover dan wel? Anton maakte zich grote zorgen… over geld. Als hij over zijn geld nadacht, voelde hij de kramp in zijn borst samentrekken. Zij voorhoofd ging strak aanvoelen, en zijn gedachten werden ook strakker. Alsof ze alleen nog maar aan geld konden denken.
Toch maakte Anton zich grote zorgen over geld. Hij wist wel dat het niet nodig was, maar toch piekerde hij. Elke keer als hij naar zijn bankrekening keek, dan voelde het als ‘niet genoeg’. Hij kon nu nog wel alles betalen, maar hoe zou dat over een paar maanden zijn? Hij begon alvast te bedenken welke kosten er allemaal nog aan zaten te komen. Dan keek hij fronsend naar het saldo op zijn rekening: dat was vast niet genoeg! Wat nu? Het piekeren begon alweer.