Ik zit achter mijn laptop, mijn vingers vliegen over het toetsenbord. Ik hoor mezelf denken: nog even snel dat mailtje afmaken, zodat ik straks… Dan schrik ik op. Ik ben er wéér ingetrapt. In de hard-werken-valkuil.
Hard werken doen we allemaal. Sterker nog: we doen het vaak een groot deel van onze dag. Als we hard werken, houden we onszelf voor dat we nu eventjes heel druk zijn, even moeten ploeteren, zweten, zwoegen. Zodat we straks tijd hebben voor iets leuks: genoeg geld hebben, het weekend lekker vrij zijn, op vakantie gaan. Of… verzin het maar. We projecteren iets in de toekomst om voor onszelf goed te praten dat we hard werken.
Als we hard werken, raken we extreem gefocust en vergeten alles om ons heen. We voelen niet meer dat we honger krijgen of zijn kortaf tegen een collega die iets vraagt. We merken minder op, zijn minder aanwezig. Met het harde werken ‘voor later’, verliezen we de enige tijd die we echt hebben: het hier en nu.
Lenneke* geeft grote events om mensen te inspireren en staat voor volle zalen. Ze wordt door veel mensen gezien als een rolmodel en voorbeeld. Deelnemers aan haar events dromen weg: ‘wat zou ik ook graag zijn zoals Lenneke’. Maar er is een keerzijde.
“Mam, kom je nou?!” Hij staat rustig op me te wachten. Ook al is hij nog maar tien, hij weet inmiddels dat dreinen geen effect heeft als ik ‘nog eventjes’ dat laatste mailtje wil doen. Maar uit zijn lichaamstaal spreekt ongeduld, zoals alleen jongetjes van tien dat kunnen laten zien. In zijn voetbalshirt en broek staat hij een paar meter achter me en hij loopt niet meer weg. Ik sla zuchtend mijn laptop dicht, doe een snelle blik op de klok: “Oei, is het al zo laat!”
Er was eens een creatieve jongeman die Gerrit heette. Gerrit was dol op dingen maken. Hij maakte houten beeldjes, tekeningen, verhalen, en gedichten. Misschien denk je dat Gerrit een grote bekende kunstenaar was. Maar dat was niet zo. Zelfs in zijn eigen straat waren er buren die geen idee hadden wat Gerrit allemaal maakte, in zijn kleine schuurtje achter zijn huis. Dat vond Gerrit jammer en hij wilde meer. Niet omdat hij zelf groot en beroemd wilde worden. Maar hij wilde graag dat zijn beeldjes, tekeningen en verhalen werden gebruikt door de mensen. Door heel veel mensen.
Bij de bakker floepten de eerste lampjes al aan. Hij wist: de komende uren zouden er meer en meer lampjes gaan branden, tot de zon op zou komen. Dan zou de hele stad tot leven komen. De reus vond het een betoverend schouwspel: al die huizen in het stadje. Al die lampjes die het donker van de nacht verjaagden, waarna de zon het aandurfde om op te komen en haar sterke licht weer liet stralen over de aarde. Voor hem was het alsof de mensen tovenaars waren: scheppers van het licht. En dat magische schouwspel begon elke dag opnieuw met dat ene lichtje. Van de bakkerij.
De reus glimlachte. Hij hield van het stadje, met alle bedrijvigheid en leven. En de mensen in het stadje hielden van de reus. Zo ook de kleine Japie, de bakkerszoon. De vader van Japie stond elke ochtend voor dag en dauw op, om brood te maken voor de mensen in de stad. Japie werd elke ochtend wakker van de geluiden in de bakkerij. Stilletjes glipte hij dan uit zijn bed, en dook met zijn hoofd onder het gordijn voor het raam. Hij tuurde naar de heuvel in de verte. Op de top van de heuvel stonden bijna geen bomen. Maar in de vroege ochtend zat daar wel… de reus. Stilletjes zwaaide Japie naar de reus:
Het was één van de prachtige anekdotes die ik gisteren hoorde uit de mond van Herman en Candelaria Zapp, twee wereldreizigers die al 17 jaren rond de wereld trekken, met inmiddels hun vier kinderen.